Een van de doelen die De Waerdenborch zich heeft gesteld is het begeleiden van de leerlingen in hun studieproces, vorming en keuzeproces.
Waarom leerlingbegeleiding noodzakelijk is
De begeleiding en opvang van leerlingen is een zaak waar veel aandacht aan wordt geschonken.
De school biedt de leerlingen persoonlijke begeleiding op het gebied van de studie, bij de vakkenpakket- en beroepskeuze en op psycho-sociaal gebied.
Leerlingbegeleiding is noodzakelijk omdat:
|
*
*
* |
het scheppen van een veilig klimaat nodig is voor het goed functioneren van de leerling; elke leerling uniek is en daarom het meest gebaat bij een persoonlijke benadering; de leerling geholpen moet worden bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid: zelf problemen leren aanpakken en oplossen. |
In het eerste leerjaar wordt er in het bijzonder veel aandacht aan leerlingbegeleiding besteed omdat de leerlingen na de basisschool moeten wennen aan een nieuwe groep leeftijdsgenoten, nieuwe vakken, nieuwe leraren, een nieuw gebouw etc.
Verschillende soorten leerlingbegeleiding
Om de leerlingen goed op te vangen kent De Waerdenborch verschillende vormen van begeleiding:
|
Begeleidingsvorm Mentoraat Extra studiebegeleiding Counseling Decanaat Cumibegeleiding
Remedial teaching |
Voor alle klassen brugklassers die dit nodig hebben alle klassen 2e t/m 6e klas culturele minderheden en anderstaligen leerlingen met specifieke leerproblemen |
Mentoraat
Per klas wordt een mentor aangesteld die op de prestaties en het welbevinden van de leerlingen in de klas let.
De mentor is voor ouders, leerlingen en leraren de eerst aanspreekbare persoon. Hij houdt de informatie over de leerlingen bij en geeft mede invulling aan voorlichtingsavonden. Hij onderhoudt intensief contact met de leerling en zorgt voor een klimaat waarin leerlingen zich prettig voelen en optimaal kunnen presteren.
Naast het geven van zijn eigen vak verzorgt de mentor in de brugklas wekelijks studielessen. Dit zijn lessen waarin de leerlingen geleerd wordt hoe ze hun leerwerk het beste kunnen aanpakken. Ook is de mentor organisator c.q. stimulator van klassenavonden en de sinterklaasviering. Kortom: een onmisbare 'duizendpoot'.
Extra studiebegeleiding
Wanneer leerlingen problemen hebben die niet in de gewone lessen of de studielessen kunnen worden opgelost, kunnen zij in bepaalde gevallen extra studiebegeleiding krijgen. Tijdens deze extra studiebegeleiding wordt in kleine groepen gewerkt aan de tekorten in kennis of de problemen met de studie-aanpak. Extra studiebegeleiding is bedoeld voor brugklasleerlingen en zonodig voor leerlingen uit het tweede leerjaar.
Counseling
Wanneer een leerling persoonlijke problemen heeft, kan hij die met zijn mentor bespreken. Soms zal deze adviseren contact met een counselor op te nemen. De leerling kan ook rechtstreeks contact met de counselor zoeken. Counseling is het deel van de leerlingbegeleiding dat zich bezig houdt met de psycho-sociale kant van begeleiden. Het is de taak van een counselor om problemen te voorkomen, te signaleren en/of te verhelderen, hulp te bieden en zonodig te verwijzen naar externe specialisten.
Decanaat
Het decanaat is het aspect van de leerlingbegeleiding dat zich bezig houdt met de keuzebegeleiding. De decaan begeleidt leerlingen van het tweede tot en met het zesde leerjaar bij hun vakkenpakket- en studiekeuze. Tevens adviseert hij leerlingen en hun ouders/verzorgers bij het kiezen van een vorm van vervolgonderwijs of van een beroepsrichting.
Begeleiding voor cumi-leerlingen en anderstaligen
Door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen worden voor leerlingen uit culturele minderheden (cumi-leerlingen) en voor anderstaligen faciliteiten verstrekt om het onderwijs in de Nederlandse taal te bevorderen. Het doel van de cumi-begeleiding is de leerling een grotere kans op succes te geven door hem meer vertrouwd te maken met de Nederlandse taal en cultuur. Er wordt in kleine groepjes gewerkt.
Remedial teaching
Wanneer een brugklasleerling specifieke problemen heeft met bepaalde onderdelen van het leerproces, kan hij 'remedial teaching' krijgen (RT).
Wanneer de brugklasleerlingen op school komen, wordt in overleg met een aan de school verbonden orthopedagoog bepaald of zij remedial teaching nodig hebben; dit gebeurt aan de hand van een test die wordt gehouden in de eerste twee schoolweken. Dit onderzoek bestaat uit een zinnendictee en enkele toetsen met betrekking tot ruimtelijk inzicht en rekenen.
Door in een zo vroeg mogelijk stadium de eventuele problemen te signaleren kan er zo goed mogelijk aan een oplossing gewerkt worden.
Naast de 'gewone' remedial teaching zijn er nog drie speciale vormen van remedial teaching:
|
-
-
- |
De faalangst-reductie-training (FRT) is erop gericht negatieve faalangst (het slecht presteren door spanning en zenuwen) te verminderen met behulp van speciale oefeningen.
De motorische remedial teaching (MRT) richt zich op het opheffen van achterstanden op het gebied van de motoriek (het bewegen). De extra school gymnastiek (ESG) heeft tot doel leerlingen met een slechte houding of een lichte rugafwijking te helpen bij de uitvoering van -door een fysiotherapeut voorgeschreven- oefeningen.
De extra school gymnastiek (ESG) heeft tot doel leerlingen met een slechte houding of een lichte rugafwijking te helpen bij de uitvoering van -door een fysiotherapeut voorgeschreven- oefeningen. |
Van Bijsterveld-gelden
Voor schooljaar 2009-2010 heeft de school van het ministerie van Onderwijs en Cultuur een som geld gekregen, die in de wandelgangen bekend staat als de van Bijsterveld-gelden. De bedoeling van dit geld is om het niveau van het rekenen en Nederlandse taal op te schroeven.
De Waerdenborch heeft ervoor gekozen om met dit geld zogenaamde hulplessen te bekostigen. De hulplessen worden ingezet in leerjaar 1 en 2 (schoolbreed) en in leerjaar 3 en 4 vmbo-BK.
In de onderbouw is gekozen voor de constructie dat de hulplessen worden aangeboden tijdens de keuzewerktijd(KWT)-lessen. Leerlingen die het nodig hebben volgen dan dus geen KWT maar worden in kleine groepjes begeleid, hetgeen dan tot verbetering van de prestaties voor de vakken wiskunde en Nederlands moet leiden.
In de bovenbouw vmbo-BK worden de leerlingen eerst getest, waarna ouders bericht krijgen over de noodzaak om al of geen hulplessen te gaan volgen.