
1945
NIET KLEIN GEKREGEN
Dit verhaal gaat over Robert Cohen, een Joodse man geboren in 1926. Toen de Tweede Wereldoorlog begon ging hij naar de mulo, maar omdat Joden geen examen mochten doen zocht hij werk in een bontatelier. Tijdens de oorlog kwamen er steeds meer maatregelen tegen Joden. Ze mochten bijna niets meer. Geregeld waren er razzia’s, waar hij maar net aan ontsnapte. Hij besloot onder te duiken. Omdat dit gevaarlijk was en om zijn familie niet in gevaar te brengen gaf hij zich aan voor transport naar een werkkamp. Want als brave burger kon je toch niks overkomen? Na kampen Vught en Westerbork kwam hij in 1944 aan in het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau. Daar werden de gezonde mannen bij aankomst in een rij gezet, de vrouwen, kinderen en ouderen gingen naar de gaskamers.
In Auschwitz waren er verschillende Kommando’s/werkeenheden. Robert kwam in het Kartoffelkommando, waar hij aardappelen van treinwagons naar het magazijn bracht. SS’ers sloegen waar ze konden, tot de dood er opvolgde . Robert wist dat hij dit niet zou overleven en verstopte zich iedere keer in een kast in het magazijn. Toen een SS’er dit een keer zag zei hij ‘ Morgen maak ik jou kapot’. Robert wist dat hij er geweest was. Wanhopig liep hij die avond door het kamp. Die avond werden er mensen gezocht voor het Kanadakommando. Een Kommando waarbij je pas gearriveerden controleerde op sieraden en geld. Uit de vele mensen die zich hadden aangemeld werd hij ook gekozen, een toeval dat Roberts leven zou redden. Wekelijks was er een ‘selectie’ om te kijken of je nog fit genoeg was. Je moest naakt over een balk lopen. Zij die dat niet meer konden, gingen naar de gaskamers.
Toen de Russen dichterbij kwamen werd Auschwitz-Birkenau ontmanteld en de gevangenen werden getransporteerd naar andere kampen. Robert kwam in diverse kampen terecht. In Dora, een ondergronds tunnelstelsel waar de Duitsers hun V-2 raketten bouwden, raakte hij ernstig gewond aan een vinger. Toen hij weer naar een ander kamp werd verplaatst ging hij bijna dood door een wondinfectie. Robert kwam in een soldatenkamp voor Duitse strafgevangenen terecht. In de ziekenboeg dacht de dokter dat Robert een Duitse soldaat was en gaf hem een Brontosil-injectie die zijn leven redde. Hij was de enige Jood die zou worden behandeld.
In mei 1945 kwam hij in Steyer terecht, een kamp in Oostenrijk. De bewaking vluchtte in de nacht van 4 mei. Robert zag zijn kans en vluchtte met zijn vriend Fritz. Ze zaten tussen de Russische en Amerikaanse legers in en ze kozen de ‘Amerikaanse’ kant. Uiteindelijk de beste keus, want na de oorlog hielden de Russen nog maanden, soms jaren ex-gevangen vast.
Bij Roberts terugkeer werd hij schandalig ontvangen door de Nederlandse regering. Hij kreeg slechts 25 gulden en moest zich maar zien te redden. Robert en zijn vrouw, Bep, leven nog steeds en hebben een dochter. Robert Cohen geeft nu lezingen over zijn oorlogservaringen op scholen en heeft onlangs nog een boek geschreven, getiteld; ‘Niet klein gekregen’.
Paul Reef
klas HV1P